Voor vorderingen op een opdrachtgever geven de Fenex-condities een expediteur een ruim recht van retentie en pand op zaken, gelden en documenten die de expediteur van zijn opdrachtgever onder zich heeft. Succes – zo leert een recent arrest van de Hoge Raad – is echter niet altijd verzekerd.
Wat was het geval: een expediteur verscheept voor een klant veevoeder naar Egypte, maar houdt het cognossement, dat is gesteld aan de order van geadresseerde (in dit geval een Egyptische bank), onder zich. Hij heeft namelijk nog een oude openstaande vordering op zijn klant en oefent daarom op het cognossement het retentie- en pand- recht van de Fenexcondities uit. De vervoerder instrueert hij om slechts na inname van het originele cognossement de partij veevoeder uit te leveren. Intussen poogt hij betaling van zijn klant te verkrijgen, met het cognossement comfortabel in zijn kluis. De vervoerder geeft de goederen toch vrij en wel op instructie van de klant. Op grond van de ontvangst van het cognossement in opdracht van zijn klant en gezien het pandrecht beschouwt de expediteur zich als recht- en regelmatig cognossementhouder en daarmee in beginsel exclusief gerechtigd tot ontvangst van de goederen. Door de vervoerder ziet de expediteur zijn pandrecht gefrustreerd. Hij spreekt de vervoerder dan ook aan tot schadevergoeding.
Rechtbank en hof meenden dat inderdaad slechts de expediteur (als recht- en regelmatig houder van het cognossement) uitlevering van de goederen kon verkrijgen. Volgens de Hoge Raad echter bepaalt de inhoud van het cognossement wie als cognossementhouder moet worden aangemerkt. In deze zaak werd een cognossement aan de order van geadresseerde uitgesteld. Zodra een dergelijk cognossement aan die geadresseerde ter hand is gesteld wordt deze, dan wel (na endossement en overgifte van het cognossement) de uit het cognossement blijkende order van de geadresseerde, als cognossementhouder aangemerkt. Tot dat moment is de in het cognossement vermelde afzender op grond van de met de vervoer- der gesloten vervoersovereenkomst regelmatig houder en heeft hij tegenover de vervoerder recht op uitlevering en wel een recht op naam dat alleen de afzender geldend kan maken. Niet dus de expediteur, die het cognossement namens de afzender in handen heeft. Dit is alleen dan anders wanneer dit recht op naam door middel van cessie aan de expediteur zou zijn overgedragen. Kortom, de vervoerder mocht op instructie van de afzender tot uitlevering aan een derde overgaan. De expediteur had pech nu het pandrecht niet aan de vervoerder kon worden tegengeworpen. De vervoerder behoefde volgens de Hoge Raad het pandrecht niet te kennen omdat het niet door de pandgever (de klant van de expediteur) aan hem was medegedeeld.
Informatie
Indien u nadere informatie wenst naar aanleiding van dit artikel, dan kunt u contact opnemen met mr. H.T. Kernkamp.
Print deze pagina
