Expediteur draait op voor de schade

Een Nederlandse expediteur laat voor een Duitse verlader textiel vervoeren en heeft toepasselijkheid van de Fenex-condities bedongen. Er is een vaste prijs afgesproken. Helaas wordt in een tussenopslag in Glasgow ingebroken en lading gestolen. De expediteur heeft niet zelf vervoerd. Desondanks dagvaardt de verlader hem in Duitsland en stelt hem – als vervoerder – aansprakelijk voor de gehele schade. De verlader beroept zich daarbij bovendien op Art. 29 CMR: grove schuld van de vervoerder. Bij grove schuld kan de aansprakelijkheid niet beperkt worden. De verlader wint in twee instanties. Hoe komt dit?

De expediteur beroept zich allereerst op het arbitragebeding in de Fenex condities. Met dit verweer maakt de Duitse rechter echter korte metten. Hij redeneert dat de arbitrage clausule nietig is, omdat niet uitdrukkelijk bepaald is dat de regels van het CMR zullen worden toegepast en dat wordt nu eenmaal geƫist in artikel 33 van het CMR. Waarom worden de regels van het CMR op de overeenkomst toegepast? Naar Duits recht wordt de expediteur die voor het doen vervoeren een vaste prijs afspreekt, wat regelmatig het geval is, altijd als vervoerder aangemerkt (Fixkostenspediteur). Dit geldt trouwens ook voor de expediteur die zelf vervoert (Selbsteintritt) en diegene die lading groepeert (Sammelladung).
Onze Nederlandse expediteur ziet zich nu nog met een verdere verrassing geconfronteerd. Het Duitse aansprakelijkheidsrecht kent een bijzondere vorm van aansprakelijkheid, het zogenaamde Organisationsverschulden: wie zijn bedrijfsprocessen niet zodanig organiseert dat schade zoveel mogelijk kan worden voorkomen handelt nalatig. In de vervoersbranche valt bijvoorbeeld te denken aan beveiligingsmaatregelen en regelmatige controles. Omdat de verlader geen inzicht heeft in de organisatie van de vervoerder mag de vervoerder in een schadeprocedure niet volstaan met het simpele betwisten van de grove schuld. Hij moet concreet aantonen wat voor controles en maatregelen hij in zijn bedrijfsprocessen heeft ingebouwd om schades te voorkomen. De vervoerder is ook aansprakelijk voor zijn hulppersonen, zoals bijvoorbeeld voor de daadwerkelijke vervoerder.

In de onderhavige procedure heeft de expediteur kennelijk alleen gesteld dat er in de loods was ingebroken en dat de ingang van het terrein beveiligd was. Dit vonden de rechters niet voldoende. De tussenopslag lag op een diefstalgevaarlijk industrieterrein bij Glasgow. In de loods waren constructiewerkzaamheden gaande, bouwvakkers hadden ongehinderde toegang. De expediteur gaf geen inlichtingen omtrent eventuele controle van de in- en uitlopende bouwvakkers of in hoeverre er in de nachtelijke uren gesurveilleerd werd. De expediteur kon verder niet aantonen wanneer de gestolen lading voor het laatst in de vervoersketen geregistreerd was. Het gestolen textiel was in een periode van enkele weken bij de verlader opgehaald. Volgens de expediteur verbleven de zendingen in principe echter maar een nacht in de tussenopslag. Hoe het precies georganiseerd was, werd niet duidelijk.

Het feit dat de expediteur spaarzaam was met zijn inlichtingen – en waarschijnlijk zelf niet meer informatie had – brak hem uiteindelijk op: zijn grove schuld wordt door de Duitse rechter vermoed; het maakt niet meer uit of de criteria daadwerkelijk vervuld waren.

Informatie

Indien u nadere informatie wenst naar aanleiding van dit artikel, dan kunt u contact opnemen met mr. H.T. Kernkamp:

Print deze pagina Print deze pagina

Nederlandse Orde van Advocaten Official partner of Erasmus School of Law