Vrouwenstandpunt SGP strijdig met VN Vrouwenverdrag

De Hoge Raad heeft op 9 april 2010 uitspraak gedaan in een tweetal zaken tussen enkele belangenorganisaties voor vrouwen- en/of mensenrechten opkomen enerzijds, en de Staat respectievelijk de SGP anderzijds. In die procedure vorderden de belangenorganisaties een verklaring dat het "vrouwenstandpunt" van de SGP, dat inhoudt dat vrouwen zich niet verkiesbaar kunnen stellen binnen die partij, in strijd is met het VN Vrouwenverdrag, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechter (IVBPR), het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de Grondwet.

Volgens de Hoge Raad heeft het VN Vrouwenverdrag rechtstreekse werking. Daarmee kunnen burgers, dus ook de partijen in deze procedure, zich op de regels van dat verdrag beroepen. Uit het verdrag volgt de verplichting dat de Staat er voor moet zorgen dat vrouwen volwaardig aan politieke partijen kunnen deelnemen. Zich kandidaat kunnen stellen binnen een partij valt ook daaronder. De Staat heeft daarbij in beginsel geen ruimte voor een eigen belangenafweging. Actief en passief kiesrecht zijn essentiële democratische waarden, die ook niet met een beroep op de vrijheid van godsdienst kunnen worden gepasseerd.

De Staat moet maatregelen nemen die er daadwerkelijk toe leiden dat de SGP het passief kiesrecht aan vrouwen toekent. De te treffen maatregel moet én effectief zijn én tegelijkertijd de minste inbreuk maken op de grondrechten van (de leden van) de SGP. De rechter kan de Staat echter niet dwingen bepaalde wetgeving in te voeren. Politieke belangen moeten worden afgewogen; ook een bevel tot stopzetting van subsidie aan de SGP gaat daarom te ver.

Uitspraken: Hoge Raad 9 april 2010, LJN BK4549

Print deze pagina Print deze pagina

Nederlandse Orde van Advocaten Official partner of Erasmus School of Law