Geen teruggave zeehavengeld Rotterdam

Een aantal Rotterdamse cargadoors is in 1998 een procedure begonnen tegen de gemeente Rotterdam over de hoogte van het zeehavengeld. De door de cargadoors vertegenwoordigde oliesector is namelijk van mening dat de voor olietankers geheven tarieven onredelijk hoog zijn in vergelijking tot andere, in omvang vergelijkbare schepen die de Rotterdamse haven aandoen (zoals containerschepen).

Volgens de oliesector heeft het Havenbedrijf een economische machtspositie in de Rotterdamse haven, en maakt het misbruik van die machtspositie bij het vaststellen van de zeehavengelden door olietankers bij het in rekening brengen van zeehavengeld te onderwerpen aan tarieven die

  1. discriminatoir zijn in die zin dat hogere tarieven voor olietankers gelden dan voor andere zeeschepen, zonder dat daar een objectieve rechtvaardiging voor is, en
  2. onredelijk hoog zijn in verhouding tot de economische waarde van de prestatie waarvoor het tarief verschuldigd is.

De oliesector vorderde een verklaring voor recht, terugbetaling van de in haar ogen teveel betaalde zeehavengelden en een bevel aan het Havenbedrijf om niet langer te hoge tarieven in rekening te brengen.

Bij de rechtbank had de oliesector gedeeltelijk succes. Van een onderneming met een economische machtspositie als het Havenbedrijf Rotterdam mag volgens de rechtbank worden gevergd dat deze een transparante boekhouding voert en die ontbrak. De rechtbank heeft daarin aanleiding gezien om deskundigen te benoemen teneinde een rapport uit te brengen omtrent de kostenstructuur, de kostentoerekening, de kostprijs en het daaraan gerelateerde feitelijke rendement per categorie in de AVZ onderscheiden zeeschepen. De eerste stap voor de oliesector was gezet, maar het HBR ging in hoger beroep.

In zijn uitspraak van 1 juni 2010 oordeelt het hof anders. Het hof stelt voorop dat olietankers en containerschepen geen vergelijkbare gevallen zijn en dat deze dus ook niet gelijk behoeven te worden behandeld. Er is sprake van een andere infrastructuur, andere kosten en anderssoortige diensten. En verder constateert het hof dat de oliesector onvoldoende heeft gesteld om de conclusie te kunnen rechtvaardigen dat de gestelde discriminatoire tarieven de oliesector een nadeel bij de mededinging berokkenen, zoals art. 82 onder (c) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, vereist. Alle oliemaatschappijen worden immers met dezelfde – hoge – zeehavengelden geconfronteerd. Het hof hierover:

Niet gesteld is echter dat de oliesector in concurrentie staat met de ladingbelanghebbenden van containerschepen. Dit betekent dat eventuele hogere tarieven voor olietankers aan de oliesector ook geen nadeel kunnen berokkenen bij de mededinging.

Het hof ziet ook geen aanleiding om over te gaan tot benoeming van deskundigen die zouden moeten onderzoeken of het Havenbedrijf excessieve tarieven aan de oliesector in rekening brengt. In de visie van het hof zou een dergelijk onderzoek neerkomen op een zeer omvangrijk, tijdrovend en kostbaar onderzoek dat het karakter van een ‘fishing expedition’ niet zou kunnen worden ontzegd. De vordering word alsnog afgewezen.

Uitspraak: Gerechtshof ‘s-Gravenhage 1 Juni 2010, LJN BM6398

Print deze pagina Print deze pagina

Nederlandse Orde van Advocaten Official partner of Erasmus School of Law