GVB mag ketting met kruisbeeld verbieden

Het Gemeentelijk Vervoerbedrijf in Amsterdam hanteert regels met betrekking tot het dragen van “accessoires” bij haar in 2008 geïntroduceerde nieuwe bedrijfskleding. Eén van de werknemers van het GVB, die sinds 1998 in dienst is als tramconducteur, draagt sinds hij bij het GVB werkt een halsketting met daaraan een vijf centimeter lange gouden crucifix. Na introductie van de nieuwe bedrijfskleding is deze werknemer aangesproken op het dragen van de crucifix, en is hem te kennen gegeven dat hij deze onder de bedrijfskleding diende te dragen. De werknemer weigerde dit, met als reden dat het hem vrij staat zijn geloofsovertuiging uit te dragen. Daarop is de werknemer geschorst.

De werknemer heeft tijdelijk eieren voor zijn geld gekozen, en is de crucifix onder de bedrijfskleding gaan dragen zodat hij zijn werkzaamheden kon hervatten. Vervolgens heeft hij in kort geding getracht alsnog toestemming te krijgen om de crucifix weer over de bedrijfskleding te dragen. De kantonrechter heeft de vordering afgewezen. Er is volgens de kantonrechter geen sprake van onderscheid naar godsdienst, nu het verbod geldt voor alle soorten kettingen, en andere godsdienstige uitingen wel zijn toegestaan. GVB heeft deze werknemer bovendien de mogelijkheid geboden om een armband of ring met kruis te dragen in plaats van de ketting.

De werknemer is vervolgens in hoger beroep gegaan; het Gerechtshof Amsterdam heeft op 15 juni 2010 uitspraak gedaan. Het hof overweegt dat er wel sprake is van indirect onderscheid naar godsdienst, maar dat dit gerechtvaardigd wordt door de wens van GVB dat haar werknemers een zakelijke, uniforme en professionele uitstraling hebben. De vordering van de werknemer wordt dus ook in hoger beroep afgewezen.

Uitspraken:
Gerechtshof Amsterdam 15 juni 2010, LJN BM7410
Kantonrechter Amsterdam 14 december 2009, LJN BK6378

Zie ook:

Print deze pagina Print deze pagina

Nederlandse Orde van Advocaten Official partner of Erasmus School of Law