Geert Wilders' Creeping Sharia

In zijn column Creeping Sharia van 18 mei 2011 op nu.nl uit Geert Wilders zijn zorgen over een uitspraak van de rechtbank Den Haag. Een Nederlandse vrouw ontving na een echtscheiding geen deel van de boedel omdat Iraans op de sharia gebaseerd vermogensrecht van toepassing was. Wilders vindt dat hiermee aan fundamentele waarden wordt getornd, zoals de gelijkheid van man en vrouw.

Hoe komt de rechter tot een dergelijke beslissing? Op 18 juli 2008 deed de Haagse rechtbank uitspraak in een echtscheiding tussen een man en een vrouw, beiden van Iraanse nationaliteit. Omdat beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. Ook de vraag of en in hoeverre alimentatie moet worden betaald wordt naar Nederlands recht beantwoord. De rechtbank bepaalt de hoogte van de alimentatie op € 466 per maand. Tot zover niets bijzonders.

De vrouw wilde ook een verdeling van de huwelijksgemeenschap. De man stelde dat er geen sprake was van een huwelijksgemeenschap, omdat partijen de gemeenschappelijke Iraanse nationaliteit hebben, en het Iraanse recht kent geen gemeenschap van goederen.

Hoe moet de rechter in dit soort internationale gevallen nu bepalen welk huwelijksvermogensrecht toepasselijk is? De regels daarvoor zijn te vinden in het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 1978. De hoofdregel is neergelegd in artikel 3. De echtgenoten kunnen (binnen de grenzen van het verdrag) zelf kiezen voor het toepasselijke recht. In dit geval was dat niet gebeurd. De rechter moet dan op grond van andere aanknopingspunten vaststellen welk recht van toepassing is. Dat staat uitgewerkt in artikel 4 van het verdrag.

De rechtbank stelt de feiten vast en oordeelt aldus:

Partijen hebben een gemeenschappelijke Iraanse nationaliteit. De man verblijft sinds 20 augustus 1991 in Nederland. Op 29 mei 2000 zijn partijen in Nederland met elkaar gehuwd. Op dat moment verbleef de vrouw in Nederland op basis van een visum voor de duur van drie maanden. Na afloop van het visum – circa anderhalve maand na de huwelijkssluiting – is de vrouw teruggekeerd naar Iran, in afwachting van de beslissing op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning. Na een verblijf van ruim twee jaar in Iran, heeft zij zich in december 2002 blijvend in Nederland gevestigd.
Op grond van voornoemde feiten is de rechtbank van oordeel dat partijen hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting niet in dezelfde staat hebben gevestigd. De rechtbank acht het verblijf in Nederland van de vrouw gedurende anderhalve maand na het huwelijk immers onvoldoende om aan te merken als haar eerste gewone huwelijksdomicilie. Gelet hierop wordt het huwelijksvermogensregime van partijen krachtens artikel 4, tweede lid, onder 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 beheerst door het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten, zijnde Iraans recht.

Het huwelijksvermogensregime houdt naar Iraans recht volstrekte uitsluiting van iedere goederengemeenschap in. Hieruit volgt in beginsel dat hetgeen partijen ten tijde van het aangaan van het huwelijk bezaten en hetgeen zij tijdens het huwelijk hebben verworven privé-eigendom blijft en niet in enige huwelijksgoederengemeenschap valt.

Artikel 7 van het verdrag bevat nog enkele uitzonderingen, waardoor het toepasselijke recht staande het huwelijk alsnog zou kunnen wijzigen, zodat vanaf zeker moment voor de toekomst alsnog het interne recht van de gewone verblijfplaats van de echtelieden van toepassing zou kunnen zijn. Daarover hadden partijen zich nog niet uitgelaten, dus de rechtbank verzoekt de advocaten dat alsnog te doen. Of het iets geworden is, is niet bekend want een vervolgbeschikking is niet gepubliceerd.

Aan Geert Wilders moet toegegeven worden dat de Nederlandse rechter Iraans huwelijksvermogensrecht toepast. Daar staat tegenover dat hetzelfde geldt voor Japans recht of Braziliaans recht. Het is in ieder geval niet erg opzienbarend. Ook Nederlands recht kent de zogenaamde koude uitsluiting. Dit is wettelijk geregeld en echtgenoten kunnen daar in de huwelijkse voorwaarden voor kiezen. Waar geen gemeenschappelijk vermogen is, valt vervolgens ook niets te verdelen. De rechter kan daar niet zoveel aan doen.

Uitspraak: rechtbank 's-Gravenhage 18 juli 2008, LJN BF9106

Zie ook:

  • Huwelijke Voorwaarden bij Echtscheiding.
  • Print deze pagina Print deze pagina

    Nederlandse Orde van Advocaten Official partner of Erasmus School of Law