Geen ontslag voor privébezit kinderporno

De kantonrechter te Leeuwarden heeft op 12 mei 2010 een verzoek tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst tussen een bouwbedrijf en een werknemer afgewezen. De werknemer was kort voor de indiening van het verzoek veroordeeld voor privébezit van kinderporno. Waarom liet de kantonrechter de arbeidsovereenkomst in stand?

De zaak begint in oktober 2008, toen de computer van de werknemer thuis in beslag werd genomen. Veel later, op 14 september 2009 werd hij alsnog door de politie aangehouden en is de werknemer in voorlopige hechtenis genomen, om eind december 2009 weer vrij te komen. Hij heeft toen een gesprek gehad met zijn werkgever en ook weer een halve dag gewerkt. Kort daarop is hij weer vastgezet, ditmaal tot de behandeling van de strafzaak in maart 2010.

De rechtbank achtte de feiten wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde de werknemer tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk. De straf was min of meer gelijk aan het voorarrest, en de werknemer is omstreeks 24 maart 2010 weer vrijgekomen. Eerder had de werkgever schriftelijk medegedeeld dat na de vrijlating nader overleg zou moeten plaatsvinden over al of niet voortzetting van het dienstverband. Nu het zover was achtte de werkgever voortzetting onmogelijk. De reden daarvan was de volgende.

In de Leeuwarder Courant van 10 maart 2010 had een verslag gestaan van de strafzitting. Volgens de werkgever had de strafzaak grote onrust binnen het bedrijf doen ontstaan. De overige personeelsleden hebben te kennen gegeven niet meer met de werknemer te willen samenwerken.

De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst echter niet. De kantonrechter redeneert als volgt:

Het dienstverband met [werknemer] is gedurende de detentie gehandhaafd en het was te verwachten dat [werknemer] op enig moment zou terugkeren. Van een goed werkgeefster mag in een situatie als de onderhavige worden verwacht dat zij de terugkeer van een zodanige werknemer mogelijk maakt, ondanks mogelijke onrustgevoelens bij de overige personeelsleden. Het ligt op de weg van De Vries om aan het overige personeel op zorgvuldige wijze duidelijk te maken dat [werknemer] weer tewerkgesteld moet worden en zij zal daarbij al het mogelijke moeten doen om deze terugkeer in goede banen te leiden en onrust te voorkomen. Het is niet gebleken dat De Vries zich in dat kader voldoende heeft ingespannen. De afwijzende houding van het overige personeel is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te rechtvaardigen.

Uit de uitspraak blijkt eens te meer dat een ontslag wegens strafbaar handelen van een werknemer complex kan zijn. In dit geval lijkt de werkgever gestraft te worden voor de aanvankelijk nog welwillende houding. Zo te zien vormt met name de niet goed gemotiveerde breuk met de eerder ingeslagen weg de aanleiding voor de rechter om het verzoek af te wijzen. De keuze van de werkgever pakt ongelukkig uit.

Zie voor de uitspraak:

Zie ook:

Print deze pagina Print deze pagina

Nederlandse Orde van Advocaten Official partner of Erasmus School of Law