Aanbesteding; Nieuw tijdelijk contract mogelijk?

De zaak
Een telefoniste is sinds 21 september 2006 in dienst bij Connexxion Taxi Services B.V. op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Deze overeenkomst is tweemaal voor bepaalde tijd verlengd, laatstelijk tot en met 31 maart 2008. Met ingang van 1 april 2008 gunt de gemeente Leeuwarden het WMO-vervoer aan een concurrent.

Op basis van de CAO Taxivervoer is deze concurrent verplicht een aanbod te doen aan 75% van de bij het WMO-vervoer betrokken werknemers van Connexxion die aan de kwalificatie-eisen voldoen. De telefoniste valt niet onder die categorie, want haar dienstverband loopt af per 31 maart 2008. Gelukkig krijgt ze wel een arbeidsovereenkomst aangeboden. De nieuwe werkgever schrijft: “Hierbij bieden wij je een arbeidsovereenkomst aan zoals die voor jouw ook geldt bij Connexxion.”

Deze arbeidsovereenkomst is verlengd tot en met 30 september 2009. De nieuwe werkgever was niet bereid deze overeenkomst daarna nog verder te verlengen. De werkneemster stelt zich op het standpunt dat sprake was van overgang van een onderneming als bedoeld in art. 7:663 BW in verbinding met 7:662 lid 2 BW, als gevolg waarvan met ingang van 10 oktober 2009 een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd is ontstaan, en subsidiair dat sprake was van opvolgend werkgeverschap als bedoeld in art. 7:668a BW. Kortom, ze wil gewoon doorbetaald worden.

Dit soort zaken doet zich vaker voor bij openbare aanbestedingen. Met spanning werd uitgekeken naar het oordeel van de Hoge Raad. Hoe ging de Hoge Raad de knoop doorhakken?

De uitspraak

Met de uitspraak van 25 mei 2012 heeft de Hoge Raad helderheid verschaft. De loonvordering van de telefoniste slaagt niet.

1. De telefoniste kan geen beroep doen op de bepalingen met betrekking tot overgang van onderneming, nu de arbeidsovereenkomst van de telefoniste met Connexxion afliep op 31 maart 2008, en zij bij de concurrent in dienst trad met ingang van 1 april 2008.

2. Voor de vraag of sprake is van een opvolgend werkgever haakt de Hoge Raad aan bij een eerdere uitspraak over de vraag of een proeftijdbeding mag worden overeengekomen. Aan de eis dat de nieuwe werkgever redelijkerwijs geacht moet worden ten aanzien van de verrichte arbeid de opvolger van de vorige werkgever te zijn, is in de regel voldaan indien
a) enerzijds de nieuwe overeenkomst wezenlijk dezelfde vaardigheden en verantwoordelijkheden eist als de vorige overeenkomst, en
b)anderzijds tussen de nieuwe werkgever en de vorige werkgever zodanige banden bestaan dat het door de laatste op grond van zijn ervaringen met de werknemer verkregen inzicht in diens hoedanigheden en geschiktheid in redelijkheid ook moet worden toegerekend aan de nieuwe werkgever.

In dit geval had het Hof vastgesteld dat de nieuwe werkgever en en Connexxion niets anders met elkaar van doen hebben dan dat zij elkaars concurrent zijn. Dat betekent dus dat het gewoon gaat om een nieuw dienstverband en de vordering van de telefoniste slaagt dus niet.

Hoge Raad 25 mei 2012, LJN BV9601

Zie ook:

Print deze pagina Print deze pagina

Nederlandse Orde van Advocaten Official partner of Erasmus School of Law