Olieverontreiniging en het IOPC-FUND

In kringen van bij de zeevaart betrokken bedrijven en personen is bekend dat de eigenaar van een schip aansprakelijk is voor schade door olieverontreiniging vanuit zijn schip. Daarover bestaat een internationale overeenkomst, waarbij een flink aantal staten is aangesloten (Brussel 1969). Kort weergegeven is de eigenaar aansprakelijk voor verontreiniging door olie uit zijn schip ontsnapt, tenzij hij bewijst dat de schade is ontstaan door oorlog of een ramp, door een opzettelijke daad van iemand anders of door overheidsingrijpen. Daartegenover staat volgens dezelfde overeenkomst dat de scheepseigenaar zijn aansprakelijkheid kan beperken (behalve wanneer hij zelf opzettelijk of met grove schuld de schade veroorzaakte) tot een bepaald bedrag, dat weliswaar groot maar toch verzekerbaar is. De merendeels in Londen gevestigde Protection & Indemnity Clubs (onderlinge verzekeraars waarin rederijen schepen inbrengen) vangen in eerste instantie dit risico, dat natuurlijk herverzekerd is, op.

Minder bekend is dat er ook nog een andere internationale overeenkomst is (Brussel 1971) tot vorming van een fonds voor vergoeding van schade door olieverontreiniging uit schepen. Regelde eerstgenoemde overeenkomst de risico’s die voortvloeien uit de activiteit van de reder/eigenaar, het zijn tegelijkertijd risico's van de olie-industrie die de noodzaak om miljoenen tonnen olie en producten te transporteren nu eenmaal in het leven roept.

Reeds bij het sluiten van de eerste overeenkomst – de Civil Liability Convention – was vastgelegd dat de tweede – IOPC Convention – er zou komen, om het evenwicht tussen schip en lading te herstellen. Zolang de IOPC Convention er niet zou zijn, zou de olie-industrie een vrijwillige regeling – CRISTAL – hanteren. CRISTAL geldt nu nog in de gevallen dat de IOPC-FUND Convention niet toepasselijk is, omdat de betreffende staat niet aangesloten is bij deze Convention. Evenzo geldt TOVALOP als vrijwillige regeling voor de shipowners' liability wanneer de Civil Liability Convention toepassing mist.

De IOPC-FUND Convention berust op een contributiesysteem, evenals de samenhangende CRISTAL vrijwillige regeling. Iedere ontvanger van olie, die in een bij de conventie aangesloten staat olie ontvangt, moet als contributie aan het fonds een heel klein percentage van de waarde van de olie bijdragen.

Uit het totaal van die bijdragen worden door de managers van het FUND vergoedingen betaald aan degenen die schade door olieverontreiniging leden. Het FUND beschikt in Londen over een kleine staf (ca. 10 personen, inclusief de "Director") die snel en zaakkundig optreedt bij olierampen met schepen, met behulp van plaatselijke experts en adviseurs. Claims worden zoveel mogelijk snel geregeld.

Zo is een systeem ontstaan waarbij, uitzonderingen daargelaten – de bedragen kunnen n.l. verschillen naar gelang de betreffende staat al dan niet heeft ingestemd met een verhoging – per geval van een scheepsramp met olieverontreiniging door de grootste schepen beschikbaar is:

– Eerst US$ 82 miljoen krachtens Civil Liability Convention;

– Vervolgens US$ 186 miljoen to US$ 275 miljoen uit het IOPC-FUND, minus het ingevolge het Civil Liability Convention betaalde.

Wij voerden een belangwekkend proces waarbij de vraag aan de orde was wie als ontvanger van olie volgens de IOPC-FUND Convention in aanmerking komt om contributie te betalen. Enige Nederlandse (olie-)opslagbedrijven, die niet zelf in olie handelen, ontvingen in hun tanks olie over zee aangevoerd voor hun opdrachtgevers. Zij meenden dat die opdrachtgevers en niet zijzelf ontvangers waren in de zin van de conventie. Dat accepteerde het Ministerie van Economische Zaken wanneer de opdrachtgever in Nederland gevestigd was, maar niet wanneer deze in het buitenland zetelde: daarop had men immers geen verhaal. Het FUND had bij deze zaak belang, vandaar dat wij in het proces tussen E.Z. en de opslagbedrijven tussenbeide kwamen voor het FUND. Nederland is het land dat na Japan en ItaliĆ« de meeste olie invoert (ca. 10%). Het belang was derhalve groot. De opslagbedrijven hadden het op zichzelf goede argument dat het voor hen bezwaarlijk was achteraf, soms na beĆ«indiging van de opslag, nog aanzienlijke bedragen aan het Fund te moeten betalen – bij het optreden van een ramp – welke contributie zij dan weer op hun opdrachtgevers moesten zien te verhalen.

Daartegenover stond het internationale belang van een goed werkend contributiesysteem voor het FUND en het Nederlands belang, dat ons land aan zijn verplichtingen krachtens de FUND conventie zou voldoen. De bevoegde instantie – hier het College van Beroep voor het Bedrijfsleven – besliste dat een opslagbedrijf dat olie voor een opdrachtgever uit een zeeschip in ontvangst neemt een 'ontvanger' in de zin van de Fund conventie is en dus contributie moet betalen.

Informatie

Indien u nadere informatie wenst naar aanleiding van dit artikel, dan kunt u contact opnemen met onze contactpersoon op het gebied van Milieu.

Print deze pagina Print deze pagina

Nederlandse Orde van Advocaten Official partner of Erasmus School of Law